Er zijn maar twee soorten mensen: zij die God dienen en zij die satan dienen. Meer smaken zijn er niet. Twee wegen, twee uiteinden, een eeuwige waarheid.
Allen zijn wij door God geschapen, en dragen goede vruchten of kwade vruchten. Die vruchten zijn de werken die wij doen.
De Heere ziet het hart aan en Hij weet of er iets in ons is dat voor Hem leeft. Hij immers Zelf heeft het goede in ons gelegd, en als Hij dat niet gedaan heeft, dan zijn wij volkomen kwaad.
De naamchristen in deze tijd eert God een beetje met de lippen – meer niet. Terwijl hun hart ver van God en Zijn geboden is. Ten diepste haten zij Hem en Zijn volk wat Hem volgt op de weg die Hij voor hen bepaald heeft.
Hoe lang Heere zult U nog dragen die U haten? Hoe lang zult U de tijd geven om tot U terug te keren? Terwijl er toch immers geen mens is die U zoekt, geen mens die Uw geboden houden wilt.
Zij zeggen: Hij ziet ons toch niet. Zelfs zij die Uw Naam verkondigen zijn ontrouw in hun handelswijze, en in wat zij zeggen tot het volk.
Nu zult U opstaan en ons oordelen.
In deze tijd van vrede, waarin er geen land is dat tegen ons oorlog voert, is er al zoveel verdeeldheid. Hoe zal het dan zijn als er oorlog is, hoe zullen wij ons dan gedragen? Terwijl er zoveel haat is tussen mensen onderling, zoveel ontrouw, zoveel wat tegen Uw geboden is. Leefregels die U ten goede van ons gegeven hebt. Maar dit volk slaat alles in de wind. Zij zaaien de wind van haat en zullen Uw storm erover oogsten.
Het is een land wat de Heere ons gegeven heeft, maar wij verderven ons land; onze akkers, ons vee, het wordt afgenomen. En wij gaan door in onze goddeloosheid. U zult ons verteren. Wij menen ons te moeten gedragen naar onze regels, en interpreteren Uw regels naar onze eigen mening. Of wij vertrappen Uw geboden. Niets maar dan ook niets weerhoudt ons van zondigen tegen U.
Door onszelf hebben wij ons als stinkende mensenkinderen gemaakt, als een stank in Gods neus. Hij heeft een afschuw van ons gekregen door onze daden die niet goed zijn. Daarom verlaat Hij ons.
Hij gaf ons Zijn woord. Vele eeuwen heeft dat woord hier geklonken op de straten, in de kerken. Maar wij hebben Hem verlaten en bespotten Hem. Nu verlaat Hij ons en geeft ons over in de handen van vijanden.
Degenen die als herders moeten zijn, verkondigen vrede en geen gevaar. Zij wijzen op Jezus, en begrijpen niet dat Hij gezegd heeft: die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig, maar die ziek zijn. Wij hebben gezondigd, en zijn als één die kanker heeft, wat uitgezaaid is. Waar niets meer aan te doen is, maar allen doen alsof zij niets mankeren. Een afschuwelijke zaak.
Toch leef je alsof je gezond bent, en niet geheel verdorven door de zonde, en daarom heb je Hem niet nodig. Daarom ga je door in een handelswijze die niet goed is.
Naamchristenen zeggen wel dat Hij gekomen is om zalig te maken. Het is een halve waarheid. Want Hij is gekomen voor zondaren die ziek zijn van zonden: van het kwaad wat zij doen, het kwaad wat zij spreken en het kwaad wat zij denken. Bovendien erkennen zij dat voor God en de mensen.
Maar zelfs kerken zijn geworden tot kwade plaatsen waar onder de Banier van Jezus Christus gestreden wordt tegen Zijn leefregels die Hij ons gegeven heeft. Hij heeft de goddelijke wetten niet ontbonden alsof zij niet meer gelden, maar heeft de gehele wet vervuld. Vervuld door Zijn daden, vervuld door Zijn woorden en door Zijn gedachten die goed waren. Want de Zoon van God is op aarde geweest, goeddoende aan alle mensen. Hij is ons gelijk geworden, uitgenomen de zonden waarmee wij bevuild zijn. Hij heeft volbracht wat wij nooit kunnen volbrengen. En daardoor is er aan Gods kant de mogelijkheid voor ons om zalig te worden en het verderf te ontgaan.
Iedereen kan met woorden belijden dat Gods woord de waarheid is. Iedereen kan met woorden belijden dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem geloofd zalig zal worden. Het is de waarheid dat onder de hemel geen andere naam gegeven is dan die van Jezus Christus, door Welke wij moeten zalig worden.
Maar het hart van veel mensen die dat belijden, is daar heel ver van, ja zij haten Hem en zij haten hen die Hij liefheeft.
Heere verlos ons van die kwade mensen, want zij verteren het land. Samen met de mensen die openlijk goddeloos leven, brengen zij ons land grote schade toe. En verwoesten de levens van mensen voor wie zij een voorbeeld zouden moeten zijn.
Het doel van dit oordeel is dat wij terugkeren tot de levende God, Die ons gemaakt heeft.
U zult U doen overhouden een volk dat in zichzelf arm en ellendig is. Dan keren wij tot U terug. Dan hebben wij U nodig, en zult U ons niet afwijzen, maar ons omarmen met een eeuwige liefde.
De Allerhoogste, de eeuwige God heeft geen vermaak in onze eeuwige dood, maar Hij heeft vreugde in onze bekering tot Hem.
Zo zal Hij in het oordeel mensen doen overblijven die zich bekeren tot Hem en leven door Hem.
Want Hij heeft alles volbracht.