Het niet af te keren oordeel I

Gepubliceerd op 30 juni 2026 om 16:25

De Heere heeft een verbond met Zijn volk, maar Zijn volk verbreekt het keer op keer. Hij straft Zijn volk, maar zij verharden zich.
Daarom wil Hij een groot ongeluk over hen brengen. Met als doel dat zij terug gaan tot Hem.
Heere, open mijn verstand, mijn ogen en mijn hart voor U, ja mijn oren, want alles zit dicht, tenzij dat U het opent en als U opent wie kan dan toesluiten?
De Allerhoogste zegt dat Hij een kwaad over ons zal brengen, waaruit wij niet verlost worden, omdat het een boze tijd is.
De mensen zullen roepen tot hen van wie zij menen dat zij kunnen helpen. Of zij menen met hun geld te kunnen kopen, ja te kunnen omkopen.

Wat wij ook doen, niemand en niets zal ons uit dit kwaad kunnen verlossen.
Maar zelfs in de grootste nood wil dit volk geen hulp van God.
Het is een niet af te bidden kwaad.

Daarom zegt de Heere, de allerhoogste God, niet voor ons volk te bidden. Er niet eens verdrietig over te zijn. Ook voor ons volk geen gebeden naar Hem op te zenden, want Hij zal niet horen als zij tot Hem zullen roepen.
Immers zelfs zij die zich naar Zijn Naam noemen, de Christenen, houden zich niet aan Zijn wetten. Zij gedragen zich oneerlijk in hun handelswijze en in de woorden die zij spreken.
Niemand let er op dat het kwaad ten volle besloten is. Allen gaan door in hun goddeloosheid.
Zij verheffen zichzelf tot goddelijke status.
Zij vloeken en schelden.
De zondag wordt benut voor alles wat God verboden heeft. Behalve voor het dienen van God en het rusten van het werk van de afgelopen week.
Zij tonen geen respect voor degenen die hen leiding geven, maar gedragen zich alsof zij het voor het zeggen hebben.
Zij doden hun naasten – ongeacht wie dat is. Hetzij door daden, hetzij door woorden.
Zij leven samen zonder te trouwen. Zij hebben wisselende seksuele contacten. En net als in de dagen van Lot de neef van Abraham, geven zij zich over aan hun eigen begeerten.
Op talloze manieren stelen zij van hun medemensen.
Zij lasteren, zij roddelen over anderen en spreken de waarheid niet.
Maar zij vinden zich beter dan het volk van God, die Hij zelf naar Zijn Naam genoemd heeft. Terwijl dat volk erkent aan al Gods geboden schuldig te zijn. Want met de laatste, de tiende leefregel staan wij schuldig aan alle geboden: het niet begeren van wat ons niet toekomt:

Het komt ons niet toe om onszelf boven God te stellen.
Het komt ons niet toe te vloeken en te schelden.
Het komt ons niet toe om zelf invulling te geven aan de zondag.
Het komt ons niet toe om onszelf boven anderen te stellen.
Het komt ons niet toe een mens te doden.
Het komt ons niet toe overspel te doen, door niet te trouwen en niet trouw te blijven.
Het komt ons niet toe te stelen.
Het komt ons niet toe te liegen en te lasteren.
Het komt ons zelfs niet toe om in gedachten aan één van deze dingen schuldig te zijn. Want dit vormt de essentie van de wet die Hij tot ons welzijn heeft gegeven.

Wij kunnen menen en doen alsof wij zulke goede mensen zijn. Maar God ziet het hart aan.
Wij kunnen bidden alsof wij beter zijn en danken dat wij niet zijn als een ander. Maar God ziet het hart aan.
De HEERE had ons genoemd naar Zijn Naam. Hij heeft in de achterliggende eeuwen ons geholpen, ons vrijgemaakt van onze vijanden. In vrijheid woonden wij, in vrijheid leven wij. Maar wij maken misbruik van Zijn goedheid.
Je zegent jezelf, maar Hij vloekt ons en heeft een kwaad over ons uitgesproken, vanwege onze eigen boosheid. De boosheid van God is ten top gestegen en je hebt zelf het verderf over je uitgelokt.
Ook ik doe het land geen behoudenis aan. En het kwaad is niet af te bidden.

Het is bijna zeven jaren geleden dat Corona als een afschuwelijk kwaad in ons land kwam. Maar het heeft je niets gezegd, niets geleerd dan afstand houden en niet naar de kerk gaan, en niet zingen. Hoogstens wat praten over wat God zou willen inzake inenten. Maar het bracht niet bij Hem en Zijn wetten.
Een aanzegging is gegeven, maar het wordt niet geloofd. Nee, ik vraag niet of je mij geloofd, maar dat je Hém geloofd. Daar zou je goed mee zijn.

Maar dit is wat er gebeurt: je laat God praten. Zijn profeten worden genegeerd, Zijn oordelen eveneens.
Maar Hij is de Almachtige en eeuwige God, de rechtvaardige Rechter. Hij oordeelt, en Hij weegt onze daden en onze woorden en onze gedachten op de weegschaal van Zijn wetten. Hij doorgrondt ons hart, en weet alle rechtszaken die Hem zijn voorgelegd. God weet wat Hij doet en Hij weet wat wij doen.
Daniël was een profeet en heeft veel van God geleerd en koningen oordelen aangezegd. Maar vanuit zichzelf wist hij niets.
Zo ben ik in mijzelf een onwetend mensenkind en weet niet meer dan God te kennen geeft.

Keer terug tot God, de Almachtige Die ons gemaakt heeft.
Voordat het kwaad komt, want het komt en is niet af te wenden.

Laten wij doen naar Zijn woorden.  Dan wil Hij onze God zijn, en dan zullen wij Gods volk zijn. Zijn eigen volk, die Hij altijd hoort en verhoort.

Bekeer ons Heere, want dan alleen zullen wij bekeerd zijn. Tot de eer van Uw heilige Naam, en tot zaligheid van onze ziel. Er zijn zoveel mensen, kinderen in dit land die niet eens meer weten of geloven dat er een God is. Gebruik dit oordeel over ons tot hun eeuwig geluk. Geef nog dat mensen die zichzelf tot een god stellen, die satan navolgen, zich tot U bekeren. Opdat wij allen U aanbidden, want Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen