Als de Heere het verstand en het hart niet met Zijn Geest verlicht, de ogen en de oren niet opent , dan weet geen mens te schrijven wat betamelijk is.
Jeremia schrijft over Babel waar het volk Israël naar weggevoerd is. Hij schrijft over het land van het Noorden waar het onheil vandaan komt. Onheil over Jeruzalem, over Juda. Dat zijn degenen die God vrezen in Israël. Immers zijn niet allen Israëlieten die zich met die naam noemen, toch zijn het allen inwoners van Israël. Maar zij vrezen niet allen God. Welnee, zij noemen zich wel met die naam, maar hun hart is ver van God, ver van de leefregels die Hij hen gegeven heeft. Zij roepen Hem wel aan met hun mond, maar hun hart en handelswijze leeft in goddeloosheid. Dus geeft God hen over aan oordelen. Niet alleen hen, maar het gehele volk wordt bestraft, want er is geen mens die niet zondigt. Ook Zijn eigen volk die Hij naar Zijn Naam genoemd heeft, staan schuldig aan de geboden. Daarom begint het oordeel bij het huis van God.
Eeuwenlang is ons land een christelijke natie geweest. Nu zijn we erger geworden dan Sodom en Gomorra. Erger dan de beesten, want die vermoorden hun eigen kinderen en zichzelf niet. Alle soorten van goddeloosheid mogen openlijk en vrij uitgevoerd worden. Geen overheid is er die bestraft. Bovendien laten ook de kerken zoveel bestaan wat niet naar de goede leefregels is, die God ons gegeven heeft.
Zelfs de gelovigen die oprecht zijn voor God, zwijgen. Het is een oordeel in het oordeel wat Hij over ons brengt: het zwijgen over, het niet aannemen en het verachten van het oordeel. Alsof God anders werkt dan in voorgaande eeuwen. Alsof de Heere geen God meer is, en geen gebruik maakt van mensenkinderen die Hij geschapen heeft. Hij heeft ons Zijn Woord gegeven. Daarbij maakt Hij bovendien gebruik van mensen om de oordelen aan te zeggen.
Nog wordt er gezegd dat de Heere zo niet meer werkt. En zij maken Hem machteloos en Zijn woord krachteloos (wat Gode zij dank niet kan). Hij doet naar wat goed voor ons is. En dat de Heere zo weinig werkt door mensen, is omdat het niet geloofd wordt. Het wordt aan de kant gedaan als zijnde onzinnig, als iets wat vroeger gebeurde, maar nu niet meer. Dus waarom zou de Allerhoogste nog laten weten wat Hij doet? (Ik spreek in dwaasheid naar het verstand van de mens.)
Niemand geloofd Hem, en wie wel oprecht in de Heere geloofd, meent dat de Allerhoogste zo niet meer werkt. Dus zelfs zij die voor God oprecht zijn, laten de aanzegging van het oordeel voor wat het is.
Ja, er zijn er die zeggen dat de Heere voor ons zorgt, dat wij niet bezorgd moeten (of zelfs mogen) zijn voor de dag van morgen. Of zij zeggen dat het een persoonlijke zaak is. Dus zou de Heere het allen persoonlijk moeten aanzeggen, want anders is het (voor hen) niet waar.
Maar ik vraag u: waarom moest Jozef dan onderkoning worden, en zeven jaren alle schuren vol met graan leggen? Dat was toch echt een zorgen voor de kwade dagen die daarna volgen zouden. Waarbij de Farao het aangezegde oordeel geloofde, terwijl hij God niet kende.
Zeker was het bedoeld om die grote familie van Jakob in het leven te behouden, omdat uit hen de Christus geboren zou worden.
Maar de aanzegging van dit oordeel is eveneens om een groot volk in het leven te behouden.
De allerhoogste en eeuwige God werkt in deze dagen niet anders.
Allen zijn wij mensen, geschapen voor de eeuwigheid. Ook onder ons zijn er die tot Hem gebracht moeten worden, Die eens geboren is. Bovendien moeten uit ons nog kinderen geboren worden, die ook tot Hem gebracht zullen worden. Dat is geen onzinnig geklets, maar waarheid van nuchter overdenken hoe de Heere altijd werkt. Hoe Hij mensen en kinderen tot Zich brengt.
Wat toen in Egypte plaatsvond is echt gebeurd, en tegelijk was het zinnebeeldig bedoeld. Tenslotte is het zeker waar dat Jozef als onderkoning een voorbeeld van Christus Jezus was. Maar voor Jakob en zijn familie was het werkelijkheid, want zij stierven haast van de honger. Dat was geen ingebeelde zaak, maar de praktijk van hun leven.
Zo werkt God tot op de dag van vandaag nog. Op dezelfde wijze brengt Hij mensen, ja drijft Hij mensen tot Hem te komen. Want een mens komt uit zichzelf niet tot God, nooit en te nimmer heeft één van ons God nodig. Want er is niemand die God zoekt, zelfs niet tot één toe. Allen zijn wij afgedwaald om nooit tot God terug te keren, tenzij dat Hij ons behoud in het leven.
Zo is de aanzegging van het oordeel over ons land, met een vijand uit het Noorden – wat nu niet is te verstaan, want naar de mens is het spitsvondig en naar de berekening dwaasheid.
De Allerhoogste gebruikt de ene mens om de andere mens, en het ene volk om het andere volk tot Hem te brengen. Hij doet geen kwaad, want God is liefde. Toch is er geen kwaad in de stad (in het land) dat de Heere niet doet.
Er is een koning die zeer veel kwaad gedaan heeft, hij wil oorlog gaan voeren, samen met een Godvrezende koning. Valse profeten zeggen dat hij moet optrekken, want de Heere is met hem. De andere koning vraagt of er niet nog een profeet des Heeren is. Jawel zegt die goddeloze koning, maar hij profeteert nooit iets goeds van mij. Toch wordt die profeet, Micha, gehaald. En hij zegt; ik zag de hemel geopend en God zitten op Zijn troon. Hij vroeg wie die koning zal overtuigen om hem die oorlog te laten beginnen. De één zegt dit, en de ander zegt dat, totdat er één komt die zegt; ik zal hem overtuigen. Wel zegt de Heere, waarmee? Het antwoord luidt; door een leugengeest te geven in al die valse profeten. Dat vond God goed, en die leugengeest kreeg toestemming om al die profeten te laten verkondigen dat die koning moest optrekken en de overwinning zou behalen.
Maar Micha de oprechte profeet zegt dat als zij optrekken, de goddeloze koning gedood zal worden. Maar hij wordt niet geloofd.
Die twee koningen, de één goddeloos en de ander Godvrezend, trekken dus ondanks de waarschuwing op tot de strijd. De goddeloze sterft in die strijd. De Godvrezende ontkomt ternauwernood aan de dood, maar behoudt zijn ziel in het leven.
Zo werkt God, alles is in Zijn hand.
Wij hebben te leven naar Zijn geboden die niet zwaar of moeilijk zijn. Wij hebben te luisteren naar wat Hij ons doet horen.
In het hart (het oog, het centrum) van een orkaan, is er rust en stilte.
Op eenzelfde wijze geeft God in het midden van zorgen, van moeite en verdriet, rust en een stille vrede in het hart.