In een artikel werd plagen van Egypte aangehaald. Ezechiël krijgt opdracht te schrijven over farao die zo wreed, overheersend regeerde en prat ging op zijn macht en rijkdom.
Maar wie verstaat de dingen die van de Geest van God zijn, terwijl het voor een mens al zo moeilijk is om zichzelf te doorgronden?
Ons verstand is verdonkerd en wie begrijpt wat die plagen voor nu te zeggen hebben, evenals wie Farao is en wanneer het in deze tijd zal plaatsvinden?
Is het ons land en volk, is het deze plaats, of onze vijanden? Want er ligt een zaak in die de Heere kennelijk duidelijk wil maken.
Farao is gestraft voor zijn wreedheid en macht en rijkdom waarop hij roemde en pochte, zoals Ezechiël beschrijft. De almachtige en eeuwige God zegt dat Hij daarom het land door de Babyloniërs als een vogel in een net zal laten vangen. Hij zal hen laten doden op het open veld, en de vogels en de wilde dieren zullen hen vreten.
Hij zal hen verslaan die nu zo dominant regeren. Zij zullen tot niets worden, omdat zij overwonnen zullen zijn. Als een kaars zullen zij uitdoven, en de God van hemel en aarde zal om hunnentwil de hemel verduisteren. De zon, de maan en de sterren zullen hun licht niet laten schijnen. Het zal een bijzonder donkere dag en nacht zijn.
De omringende volken horen hiervan, ontzetten zich en de haren rijzen hun ten berge wanneer de almachtige God zo met hen afrekent. Hij vernedert openlijk degenen die wreed heersen en zichzelf verhogen ten koste van anderen. Ja, deze volken zullen sidderen en vervuld zijn van angst wanneer Egypte valt, omdat het zwaard van Babel door Gods hand over hen is gekomen. Niet alleen de mensen, maar ook de dieren zullen omkomen door Gods toorn over hen.
Dan zullen zij die door Egypte zijn uitgebuit, tot rust komen en in vrede wonen. Dit zal gebeuren wanneer de Heere de inwoners van Egypte heeft geslagen en het land verwoest heeft. Zeker, er zullen mensen zijn die Egypte beklagen en haar toestand betreuren. Blijf zo met ons Heere, tot de eer van Uw heilige Naam en tot heil van zielen voor de eeuwigheid geschapen.
Nu terug naar de tien plagen.
In Exodus 8 staat heel duidelijk dat de Heere een scheiding maakt tussen Zijn eigen volk en de Egyptenaren.
De eerste drie plagen kwamen over het gehele land van Egypte, dus ook over Gosen waar het Joodse volk woonde.
Er staat in Ezechiël 32 vers 22 en 23: En Ik zal te dien dage (als de vierde plaag over Egypte komt) het land Gosen waar Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet dat Ik de HEERE, in het midden van dit land ben.
En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk (de Joden) en tussen uw volk (de Egyptenaren); tegen morgen zal dit teken geschieden.
Op die manier maakt God aan iedereen duidelijk dat Hij met ons is, en niet met hen die zich zo overheersend en lasterlijk gedragen en zichzelf ten koste van anderen verrijken door te liegen en te bedriegen.
Tien plagen. De laatste zeven plagen komen volledig en alleen over Egypte en het volk van God heeft er geen last van.
Want Hij regeert en Hij betoont daarmee hoe lief zij Hem zijn, al gaat Hij niet aan hun schuld voorbij. Daarom delen zij wel in de eerste drie plagen. Zij krijgen een gebroken slag, maar hun vijanden die Gods vijanden zijn, de gehele slag van Gods toorn.
Zoals drieënhalf jaar de betekenis heeft van gebrokenheid, want het is de helft van zeven – wat staat voor volmaaktheid.
Zo delen wij in deze tijd ook in de plagen die God zendt, althans in een deel daarvan. De Almachtige geeft ons nu prijs als buit. Maar wanneer Hij Zijn brandende toorn uitstort over hen die ons haten en ons beroven van geld en goed, eer en naam, zullen wij tienvoudig terugontvangen wat zij ons nu ontnemen. Dat tienvoudige is een beeld van het goede dat de Heere ons zal schenken, niet alleen na dit leven, maar ook al in dit aardse leven. Hij laat niet eindeloos met Zich spotten en Zijn volk in de ellende.
Heere help dit arme, arme land wat zijn eigen ondergang bewerkstelligt. Wat een regenboogvlag stelt als beeld van vrijheid en gelijkheid en broederschap. En het wee is over hen die dat weigeren en daar openlijk zich van afkeren. Dat geldt ook voor abortus, euthanasie en alle andere zaken die ingaan tegen de geboden die God ons, tot ons welzijn, heeft gegeven.
Maar Heere, help ook de kerken die zich naar Uw Naam noemen, maar zo ver zijn afgedwaald van Uw geboden. Zij hebben eigen wetten gemaakt, die aan Uw leefregels zijn ontleend. Daarmee buigen zij Uw wetten om naar hun eigen inzichten, en begeven zij zich op een hellend vlak. Want wie Gods wil, zoals die in Zijn eigen Woord is verwoord, aanpast aan zijn persoonlijke opvattingen, kiest slechts wat hem goed uitkomt. Wat niet past, wordt vervolgens met spitsvondigheden naar eigen zin en mening uitgelegd. Zo gaat het van kwaad tot erger. Zelfs de meest rechtzinnige kerkverbanden maken zich hieraan schuldig.
Heere, gedenk ook deze plaats, die bekendstaat als godsdienstig. Toch is er uiterlijk nauwelijks aan te zien dat het een christelijke plaats is.
Daarom zal het oordeel in beginsel komen over degenen die als christelijk bekendstaan. Want we zijn bijzonder ver bij het woord van God vandaan gegaan. Daar hebben de mensen die de naam van Christen dragen zelf voor gekozen. Zij zijn nogal trots op zichzelf — al zullen de meesten dat niet zo zeggen en zich er misschien niet eens van bewust zijn. Tegenover mensen die minder of helemaal niet godsdienstig zijn, voelen zij zich verheven. En wanneer zij anderen ontmoeten die godsdienstiger zijn dan zijzelf, zijn zij vooral blij dat zij niet zo zijn.
Onder goddelozen gedragen zij zich goddeloos, en onder naamchristenen houden zij zich godsdienstig. Maar bij het volk van God komen zij liever niet. In het begin misschien nog wel, maar al snel gaat hun oprechte vroomheid hun tegenstaan.
Heere, U weet ook hoe ik denk aan Uw volk, dat in dit land zo wordt onderdrukt en stelselmatig overheerst. Juist door degenen die zeggen dat zij christenen zijn, maar het niet zijn en liegen het.
Het Joodse volk werd eeuwenlang onderdrukt, totdat U opstond en Uw volk door Mozes en Aäron liet verlossen. Het volk was niet zonder schuld en kreeg daarom ook deel aan de eerste drie plagen. Heere, nu duren de plagen, het liegen en bedriegen al jaren voort. Het had gestopt moeten worden, maar in plaats daarvan gaan zij door en maken zij het erger. Net als Farao, die bleef doorgaan met onderdrukken. Uiteindelijk werden veel Egyptenaren gedood, stierven veel dieren en werd het land kaalgevreten. Toen mocht het Joodse volk weggaan.
Maar zij waren nog niet goed en wel vertrokken, of Farao kreeg spijt en vervolgde hen om hen allen te doden of terug te halen. Dat kostte opnieuw vele Egyptenaren het leven, en ook Farao zelf verloor zijn leven. Velen verdronken in de Rode Zee, maar diezelfde Zee redde het volk van God het leven.
Help ook hier, Heere. In deze grote nood is geen uitkomst te zien. De weg die U gaat, is niet anders dan de weg die U met Israël ging. In plaats van beter werd het in de beleving minder en minder. Nu is er nauwelijks nog iets over.
Gods recht is als Gods bergen. Het zijn bergen waar niet overheen gezien kan worden, zo hoog zijn die.
Gods wetten zijn goed en bijzonder waardig om onderhouden te worden. Maar niemand kan dat, dan door Hem alleen. Zijn wetten zetten een mens als met de rug tegen de muur, want hij kan ze niet houden. Zelfs in de gewone dingen niet.
U eist dat wij op Uw woorden letten, U zegt; dient geen afgoden naast Mij. Ik antwoord; Heere geef U dan uitkomst, want er is niemand die niet de afgoden dient en die helpen kan. Geen mens die niet zondigt, die in zijn hart geen afgod heeft. Hoe zouden wij de vijanden kunnen weerstaan, terwijl er geen helpers zijn?
Voor al deze dingen, voor dit land en volk, voor de kerken en voor de o zo christelijke plaatsen, voor de vijanden van Gods volk en voor ons, geldt dit woord:
De Heere komt met Zijn plagen en Hij zal Zijn oordeel over ons brengen, daar ontkomen wij niet aan. Wij leven maar voort in luxe en welvaart, en als wij anders doen, zetten we daar ons hart op. Iedereen leeft naar eigen zin en mening zonder echt acht te geven op de wetten van God almachtig. Want we zijn een god in het diepst van onze gedachten.
Maar de Allerhoogste zal een scheiding maken tussen die Hem vrezen en die Hem niet vrezen. Hij zal verlossing brengen aan allen die Hem toebehoren.
Reactie plaatsen
Reacties