De Allerhoogste is onze Wetgever

Gepubliceerd op 9 mei 2026 om 21:27

De HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning,
Hij zal ons behouden.

U vaart in voorzichtigheid op een vaste koers te varen, namelijk uw behoud. Maar weet niet dat God de wind uit de zeilen genomen heeft, waardoor uw touwen slap neerhangen, en de sterkste mast zal vallen. Namelijk de mast waar u op vertrouwt, en wat u meent dat uw sterkte is. De Allerhoogste zal daar korte metten mee maken, en al uw kracht en macht en sterkte zal blijken een riet te zijn dat door de wind heen en weer bewogen wordt.

God heeft alles geschapen, en nadat Hij de mens geschapen had, zag Hij en zie het was zeer goed. Maar het heeft de mens niet goed gedacht om de Heere God gehoorzaam te zijn, en wij vielen van een hoge top van eer in eeuwige verwoesting neer.
O God, ook daarin geldt dat U onze Rechter bent en onze Wetgever en onze Koning. Behoud o Heere in het leven!
Daar bij U in het hemelse Kanaän, in de stad Jeruzalem hierboven, zal geen inwoner zeggen: ik ben ziek; want het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.
Hij is onze Rechter. Wat verwacht ik o Heere, mijn hoop is op U.
Zonder Hem kan niemand iets doen, ook niet horen en noch minder begrijpen wat Hij zegt.
Wie anders dan de Zoon van God is gekomen van Edom, die aartsvijand van het oude Israël? Christus' klederen zijn bezoedeld door hun bloed, maar het is hún bloed, want zij zijn gesneuveld in de strijd tegen Israël. Israël streed onder de banier van Jezus Christus. Maar Hij gaat voorop, en tegelijkertijd is Hij hun Achterhoede, hun Wolkkolom en hun Vuurkolom. Zo geldt voor het volk, de kinderen van God nog steeds: als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, om een volk te redden van het verderf, tot heil van zielen voor de eeuwigheid. Hij is het die het gericht voerde over Edom. Hij is het die het gericht voert over ons. Zijn verbolgenheid is zeer groot. Hij zal ons verslaan met een zeer grote slag, waarvan wij zonder Hem, niet kunnen opstaan. En allen die het horen, zullen verbaasd zijn en zeggen; waar zijn zij die zo groot waren? En schrik zal u bevangen, dat God is opgestaan en als de opperste Wetgever het gericht over ons voltrokken heeft.

Heere doe ons erkennen dat U Koning bent over ons. Ja doe hen terugkeren tot U de levende God. Omdat zij erkennen dat u hen hebt doen vallen gelijk een rijpe appel van de boom valt. Dat U in Uw toorn, hen als rijpe vruchten hebt doen vallen. Doordat zij hun goddeloosheid tot het uiterste toe vervuld hebben.
Het zwaard van de HEERE is vol van bloed, van het bloed van de lammeren en van de bokken. Dat is niet alleen van de bokken (van de goddelozen), maar ook van Zijn lammeren (van de oprechten) die Hij tot Zich vergaderd heeft, waarvoor Hij Zijn leven heeft gegeven. Want gelijk Hij bloeden moest voor de zonden van Zijn volk, zo moet Zijn volk in dit leven bloeden. Opdat wij niet vergeten waar wij vandaan komen, hoe wij gezondigd hebben, en niet beter zijn dan Adam of dan Eva die de schone vrucht zag en nam en at. Maar Hij komt om de aarde te richten en de wereld in gerechtigheid. Dat zal zijn als Hij terugkomt bij Zijn tweede komst naar de aarde. Maar er zijn ogenblikken in dit leven dat Hij Zijn macht laat blijken en werkelijk een slachtoffer heeft te Bozra en een grote slachting in het land van de Edomieten. Welke zijn Zijn vijanden, daarin dat zij Zijn volk haten en vermoorden willen. Want het zal zijn de dag der wrake des Heeren, een jaar der vergeldingen, om Sions twistzaak.
Ik weet dat ik ooit gebeden heb, ja meerdere keren of de Allerhoogste wil geven sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, en het gewaad des lofs voor een benauwde geest. Opdat ik genoemd mag worden een eikenboom der gerechtigheid, een planting des HEEREN. En waarom? Opdat Hij verheerlijkt wordt, want Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.
Nu dit woord van de dag der wrake des Heeren. Want als ik dat gebed deed, was er veel verdriet en geween, veel strijd en ik was als zonder kracht, als een klein zaad wat Hij deed uitspruiten.
Diezelfde woorden staan geschreven in het verband van het voorgaande vers; om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en de dag der wrake onzes Gods, om allen die verdrietig zijn, te troosten. En opnieuw is er zoveel treurigheid. Maar Hij is Dezelfde en regeert van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Hoe verlang ik naar Zijn komst om één te zijn, om al die zaken door Zijn liefde te zien verdwijnen als kaf voor de wind, als was voor de zon. Opdat Hij gevreesd wordt, opdat zij weten dat er een God is. Opdat zij weten dat ik al die dingen niet uit mijzelf bedacht noch gedaan heb. Maar omdat Hij de opdracht gaf die ik niet eens wilde of kon vervullen.
Maar Hij is God en heeft de macht over mij, en ik zei; ik ga niet, maar ik ging toch. En ik zei; ik doe het niet, maar ik het deed het toch. Want Zijn liefde is de banier over mij, en al wat uit mij is, stribbelt dag en nacht tegen. Maar wat uit Hem is, overwint door de Geest die in mij woont en Hij laat niet varen de werken van Zijn goddelijke handen. Want de strijd tussen mijn eigen ik en de geest die uit God is, hebben een dagelijkse strijd, maar de Geest strijdt en Hij bidt voor mij.
Het is deze liefde die mij dringt om Hem te volgen op het pad wat Hij mij stelt. Deze zelfde liefde is het die Hem dit goddeloze land nog tot voorbeeld stelt, om tot Hem terug te keren.

Heere sta op, doe naar Uw Woord en laat deze dingen die hier ter plaatse, die hier in Nederland plaatsvinden, doen medewerken ten goede. Dat zij door het zien van Uw goddelijke almacht en Uw toorn geloven dat U mij de zaken hebt doen verkondigen.
Heere, het is Uw Naam; laat door mij Uw grote en heilige Naam niet gelasterd worde, maar geef een terugkeer tot U de levende God, en verheerlijk Uw Naam.
Heere, als U dit land verderft en het richtsnoer van verwoesting over ons trekt, en ons verwoest; Als wij roepen zullen tot de overheden van het land, maar zij ook niet helpen kunnen – hetzij dat zij niet meer zijn, of hetzij dat hun nood even groot is als bij de burgers van dit land; Laat er nog weinigen zijn om Uw woord te verkondigen. Om te doen horen hoe goed U bent, en welke Uw liefde is in het vonnis over ons land.


Dat er nog een opwekking komt o God, gelijk ik las bij een kind en dienaar van U. Hij gelooft dat de Heere nog naar Nederland zal omzien. Ja, maar evenals een vader omziet naar zijn kind dat zich zo afschuwelijk gedraagt naar hem en zichzelf verder en verder in de problemen werkt. Maar terwijl het kind zoveel zorgen en noden heeft, gaat het niet naar zijn vader, maar bespot bovendien zijn vader. De vader laat het kind gaan, in de hoop dat het zich zo in de nesten werkt, dat het weer bij hem terugkomt. Maar dat kind doet dat helemaal niet, maar gaat verder met zijn goddeloosheid. Hij leeft zich uit zonder rekening te houden met iemand, zelfs niet met zijn vader uit wie hij geboren is. Uiteindelijk wordt de nood zo hoog, dat er geen enkele uitkomst meer is, en dan komt vader weer in beeld en het kind gaat weer terug tot zijn vader.
Zo werkt God op onze ondergang aan. Maar een vader is niet in staat om de omstandigheden zo te doen zijn, dat alles hopeloos wordt voor zijn kind. Maar daartoe is God wel in staat en brengt tot Hem die Hij liefheeft.

Hier in Nederland zijn we ver weg. Ver bij God vandaan, dat in de eerste plaats. Maar ook gedragen we ons dwaas in onze handelswijze. In economisch en maatschappelijk opzicht, in het maatschappelijke leven, in het omzien naar elkaar, zelfs in het gezinsleven.
We verwoesten ons eigen land, en verwoesten onze eigen gezinnen, en we stellen onszelf voorop. Menend dat God het niet ziet of in ieder geval toch niets doet. Of wij menen dat de omstandigheden ons dwingen te doen wat niet goed is. Maar er is geen enkele omstandigheid als excuus om te doen wat God verboden heeft. Hij zorgt voor ons, en Hij wil van ons gebeden worden dag en nacht om Zijn hulp. Vraag, bid aanhoudend en klop aan de deur van Zijn genade.
Sommigen menen dat de liefde van God bestaat in het goedkeuren van wat zijzelf menen dat goed is. Terwijl dat niet anders is dan zeggen: laten wij het kwade doen, want Hij maakt het wel goed.

Zoek het maar op in het boek des HEEREN en lees het, want niet een van deze zaken zal feilen. Zijn mond heeft het geboden, en Zijn Geest zal al die dingen samenvoegen, totdat er geen ontkomen meer aan zij. Want Hij Zelf heeft voor hen en voor ons het lot geworpen, en Zijn hand bestuurt ons met het richtsnoer van Zijn wetten. Dan zal Hij de vijanden van Zijn Kerk kaalplukken, en Zijn vloek zal tot in eeuwigheid over hen zijn.
Maar die de Allerhoogste liefheeft, daar draagt Hij zorg voor, ook in ontzettend moeilijke tijden. Want die Hij liefheeft, heeft Hij lief tot het einde toe.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.